Loosdrechts porselein onder water

Schilderijen van Hannelore Houdijk.

16 oktober t/m 14 november 2021, zaterdag en zondag van 12.30 – 16.00 uur
Kasteel-Museum Sypesteyn
Nieuw-Loosdrechtsedijk 150 te Loosdrecht.

Het bestuur van de Stichting is trots en dankbaar dat we in dit corona tijdperk een bijzondere tentoonstelling in de prachtige omgeving van Kasteel-Museum Sypesteyn mogen organiseren.

Hannelore Houdijk uit Nederhorst den Berg was met haar schilderij “Theepot in het water” winnares van de nationale wedstrijd ‘Schilderij van het Jaar 2019’. Een schilderij van deze bijzondere kunstenares mocht in de collectie van de Stichting Kunstbezit ’s-Graveland natuurlijk niet ontbreken.
In opdracht van de Stichting heeft Hannelore Houdijk een schilderij met een soortgelijke compositie gemaakt, maar dan met een knipoog naar de rijke historie van het Loosdrechts porselein. Verschillende door Kasteel-Museum Sypesteyn en een lokale verzamelaar ter beschikking gestelde objecten Loosdrechts porselein zijn in de Spiegelplas in ondiep water gefotografeerd. De combinatie van het stromende water en de bijzondere heldere kleuren en detaillering van het Loosdrechts porselein uit het eind van de achttiende eeuw zijn door Hannelore Houdijk op het schilderdoek vastgelegd. Op deze wijze is een belangrijk cultuur-historisch aspect van Loosdrecht met de hedendaagse kunst verbonden.

Het Loosdrechts porselein werd vervaardigd in een door dominee Joannes de Mol in Oud-Loosdrecht in 1774 opgerichte porseleinfabriek. Het betrof een werkgelegenheidsproject voor de plaatselijke bevolking. Dit was nodig omdat na de periode van turfwinning de turfstekers in grote armoede terecht waren gekomen. Voor fijn schilder- en vormwerk huurde dominee De Mol vaklieden van elders in, zelfs uit het buitenland. Binnen tien jaar raakte de fabriek failliet.
Kasteel-Museum Sypesteyn heeft een omvangrijke collectie Loosdrechts porselein, onder andere verzameld door de stichter van het kasteel Jhr. C.H.C.A. van Sypesteyn.

Er hangen gedurende de periode van de tentoonstelling in Kasteel-Museum Sypesteyn ook vijf schilderijen welke representatief zijn voor de schilders van de Kortenhoefse School. Zoals een klein schilderij van de eind negentiende eeuw afgebrande korenmolen aan het Moleneind in Kortenhoef van P.J.C. Gabriël (1828-1903). De top Haagse School-schilder Gabriël wordt gezien als de schilder die Kortenhoef heeft ontdekt. Kortenhoef wordt daarom ook wel het land van Gabriël genoemd.

Al ruim 100 jaar heeft Kortenhoef het imago van een kunstenaarsdorp. Door naast schilderijen van de Kortenhoefse School ook schilderijen van de huidige generatie kunstenaars in Wijdemeren te verzamelen zet de Stichting Kunstbezit ’s-Graveland dit imago graag voort.

Kunst verbindt, niet alleen mensen maar ook een dorpssamenleving. Dat blijkt ook het samenwerkingsverband waarmee deze tentoonstelling tot stand is gekomen. De Stichting Kunstbezit ’s-Graveland organiseert de tentoonstelling in samenwerking met Kasteel-Museum Sypesteyn, Stichting LOosdrechts Porselein (SLOP), Historische Kring Loosdrecht en de gemeente Wijdemeren.

Wij nodigen u van harte uit om deze tentoonstelling te bezoeken.

Namens het bestuur,

Henri Spijkerman, 
Voorzitter Stichting Kunstbezit ’s-Graveland

Stoer polderlandschap van Piet van Wijngaerdt (1873-1964)

Tot de collectie topografische schilderijen van de Stichting Kunstbezit ’s-Graveland behoort een stoer polderlandschap uit 1911 van de schilder Piet van Wijngaerdt (1873-1964). In forse penseelstreken zet Wijngaerdt een impressie van een weiland met slootje en bruggetje neer, en met in de verte zeilbootjes op een plas.

Zoals in het boek ‘De onvergankelijke kijk op Kortenhoef’ van kunsthistorica Carole Denninger te lezen is, was het de Amsterdamse schilder Piet van Wijngaerdt die omstreeks 1910 zijn collega-schilders in de hoofdstad attendeerde op het onbedorven polder- en plassengebied rond Kortenhoef. Van Wijngaerdt onderscheidde zich van zijn voorgangers in de traditie van de Haagse School door zijn brede visie en uitwerking van het simpele poldermotief. Met heel brede kwaststreken schilderde hij de sappige weilanden en de brede wolkenluchten erboven die zich spiegelden in de sloten. Bij Van Wijngaerdt was het altijd puur natuur: mensen zoek je op zijn vroege schilderijen tevergeefs. Kleine details liet hij weg. Het was de natuur zelf die voor hem imposant genoeg was. Zijn forse manier van schilderen vond weerklank bij de jongere generatie schilders van de latere Bergense School: Arnout Colnot, Harrie Kuyten en Dirk Filarski. Ook zij kwamen toen nog vanuit Amsterdam naar Kortenhoef. De trein bracht hen naar Vreeland en daar stapten ze met hun schilderattributen over in een rijtuig dat ze naar Het Rechthuis (nu: Jan en Alleman) bracht. Vandaar trokken ze met hun veldezel en schilderkist de polder in. Later, omstreeks 1930, verbleven ze vast en zeker in het kleine atelier van Harrie Kuyten aan het Moleneind. Dit atelier lag weer op steenworp afstand van de atelierwoning van Dirk Smorenberg aan de Horndijk.

Wintergezicht van Anton Smeerdijk (1885-1965)

Een werkelijk schitterend schilderij uit de kunstcollectie van de Stichting Kunstbezit ’s-Graveland betreft een wintergezicht van Anton Smeerdijk (1885-1965).   ‘Winter’ is de titel die de schilder omstreeks 1910 zelf achterop het grote olieverfschilderij heeft geschreven. Kortenhoef is de locatie van de afbeelding.

Bij de jonge Anton, telg uit het befaamde ‘s-Gravelandse wasserijgeslacht Smeerdijk, openbaarde zich al vroeg zijn tekentalent. Tijdens de kerkdienst in de hervormde kerk maakte hij al schetsjes van het interieur en de kerkgangers. Van zijn ouders mocht hij naar de Academie in Amsterdam, waar beroemde professoren als August Allebé en Nicolaas van der Waay les gaven. Hij ontmoette er zijn medestudenten Jan Sluijters en Leo Gestel. Samn maakten zij na hun studie een reis naar Parijs, het mekka van de moderne kunst. De jonge Smeerdijk was echter toen nog in de ban van de Haagse Schoolschilders als P.J.C. Gabriël, Willem Roelofs en J.H. Weissenbruch. Deze schilders hadden in Kortenhoef en bij de Nieuwkoopse plassen het polderlandschap geschilderd.

Zeker moet Anton Smeerdijk onder de indruk zijn geweest van Floris Verster en Victor Bauffe, die wel eens in het Rechthuis op de Kortenhoefsedijk hadden gelogeerd en in de omgeving hadden geschilderd. Hun manier van schilderen was wat ruiger en dat sprak de jonge Smeerdijk kennelijk aan. In brede streken en in vele nuances wit schilderde hij de besneeuwde dijk, de smalle bruggetjes waar ’s zomers de hooischuiten onderdoor konden varen, het vervenershuisje rechts, de toen nog platte Kattenbrug met het kerkje in de verte en enkele figuren in de sneeuw. Aan de dijk had Smeerdijk trouwens zijn eerste atelier. Toen hij later een gevestigd en gerespecteerd schilder was liet hij zijn huis annex atelier ‘de Gaard’ bouwen aan de Meent, de huidige Kerklaan.

Met dit winterse meesterstuk presenteerde Anton Smeerdijk zich met bravoure als schilder, in de beste traditie van de Haagse School. Later zou ook hij reizen naar Frankrijk gaan maken, waardoor er andere kleuren op zijn palet verschenen.

Het verdwenen sluisje te Kortenhoef van K.J. Willerding (1886-1974)

Karel Willerding schilderde dit monumentale werk toen hij aan de Kerklaan woonde in ‘het Huis in de Zon’. Zijn met riet gedekte atelierwoning was door de bekende Larense architect Wouter Hamdorff ontworpen. Ook de schilder Anton Smeerdijk bewoonde aan de Kerklaan zo’n ‘Larens’ huis.

Willerding was van origine afkomstig uit Duitsland. Hij ging in het hotelvak om zijn oom, die in Hilversum hotel-restaurant het Hof van Holland exploiteerde, te assisteren. Maar door zijn ontluikende schilderdrift mocht Willerding de Academie in Amsterdam bezoeken. Daar ontmoette hij de ‘s-Gravelandse schilderstudent Anton Smeerdijk. Die heeft hem vast en zeker verteld over Kortenhoef. Hier waren aan het begin van de 20ste eeuw nog volop schilders te vinden waren die er het polder- en plassengebied met zijn rietkragen, turfbaggeraars, vissers en bootjes schilderden. Smeerdijk had aan het begin van de dijk (vlakbij de huidige Kerklaan) eerst een houten atelier, waar ook Willerding steeds vaker te vinden was.

Gaandeweg ontwikkelde Willerding een voorkeur voor het pastelkrijt waarmee hij in fijne, meestal tere kleuren zijn landschappen in streepjes opzette. Toch vergat hij de olieverf en het schilderslinnen niet. Het meest beïnvloed werd hij door de Franse impressionisten, die met een losse toets en in zonnige kleuren de landschappen van hun palet en uit hun penselen leken te toveren. De sneeuwgezichten van Claude Monet moeten hem bijna zeker bij het schilderen van deze Sluis te Kortenhoef hebben geïnspireerd. De rulle sneeuw rondom het ‘huis van Arie Kroon’, de voormalige sluiswachterswoning, kun je bijna vastpakken en de schitterende avondlucht weerspiegelt zich in het bevroren oppervlak van De Kwakel. Omstreeks 1900 was pal bij het sluisje nog een ophaalbrug, waar passanten tolgeld moesten betalen. Maar met de afschaffing van de tolgelden en de komst van elektrische gemalen is eerst de brug en daarna het sluisje verdwenen. De Meent werd omgedoopt tot de Kerklaan en steeds meer huizen langs de nieuwe weg vormden het nieuwe Kortenhoef.

De Graafjesbrug van Jacob Ritsema (1869-1943)

De titel Graafjesbrug is een verbastering van de eigenlijke naam Graversbrug die de ophaalbrug aan het Moleneind te danken had aan de werklieden die eronder door voeren: de verveners die de plassen uitbaggerden, de gravers dus. Jacob Ritsema heeft het schilderij Graafjesbrug omstreeks 1900 geschilderd.

Ritsema raakte in Kortenhoef verzeild door de contacten die zijn vader, een bekende Haarlemse lithograaf, had met de bekende Haagse Schoolschilder Paul J.C. Gabriël. Als landschapsschilder was Gabriël tijdens een van zijn zwerftochten verliefd geworden op het drassige polderlandschap van Kortenhoef. Vanaf 1870 kwam hij er regelmatig om te schilderen. In Het Rechthuis had hij zelfs een vaste kamer waar zijn vrouw en hij konden slapen. De jonge schilder Ritsema werd door Gabriël onder zijn hoede genomen en leerde in Kortenhoef de kneepjes van het kunstschildersvak. Met een brede penseelstreek en veel gevoel voor kleur schilderde hij de sappige polders en de heldere bruggen, de weidse luchtpartijen die zich spiegelden in het water, de aardappelrooiers op het land en de zanderige dijk met de plassen als het geregend had. Ritsema had op tentoonstellingen veel succes met zijn frisse schilderijen. Het schilderij van ‘Het Regenbuitje’, werd zelfs door Koningin Emma aangekocht. Het bevindt zich nog steeds in de collectie van het Koninklijk Huis. Hij maakte nog enkele versies van hetzelfde thema, zoals hij ook met de Graversbrug deed. Succesnummers zorgden immers voor brood op de plank! Op een ander schilderij, nu in de collectie van het Haags Gemeentemuseum, heeft hij zijn leermeester uitgebeeld, zittend op een krukje onder een parasol terwijl hij ‘plein air’ (in de open lucht) het landschap aan het schilderen is.

Ritsema leerde in Kortenhoef een dochter van bakker Van den Broeck kennen. De bakkerij was gevestigd in de oude – maar nog steeds bestaande – boerderij aan de Kortenhoefsedijk 149. Dat was ook het geval met de Rotterdamse schilder August van Voorden, want de bakker had meer huwbare dochters. Zo werden Ritsema en Van Voorden zwagers. Aan het begin van de 20ste eeuw huurden ze samen met Bernard van Beek het leeg gekomen atelier van mevrouw Geesje Mesdag-van Calcar om er tentoonstellingen te houden. De schilders konden toen nog niet weten dat dit atelier twintig jaar later de eerste Nederlandse jeugdherberg ‘De Karekiet’zou worden! Ritsema ging na omzwervingen in Haarlem en Den Haag in Laren wonen en werken, in het voormalig atelier van de schilderes Wally Moes. Daar zou hij op zijn beurt weer de leermeester zijn van zijn jonge, aangetrouwde neef Barend van Voorden, de zoon van August.

Houten huisje aan het Moleneind van Harrie Kuyten (1883-1952)

Op dit nogal sombere schilderij dat Harrie Kuyten rond 1930 schilderde staat een heel bijzonder houten huisje afgebeeld. Het is het ‘gepotdekselde’ en bruin geteerde houten huisje van Coba Tuin, dat oorspronkelijk vlakbij de Graafjesbrug stond. Coba, uit het Kortenhoefse geslacht Van de Velden leerde haar man Gerrit Tuin kennen toen ze als heel jong meisje werkte in een ‘s-Gravelandse wasserij. De uit Zwartsluis afkomstige Gerrit Tuin kwam daar hoogveen-turven bezorgen om de ketels te stoken. Het echtpaar Tuin leefde vooral van de palingvisserij. Gerrit rookte de vangst en ventte die uit in Hilversum en Loenen. Coba verkocht van huis uit, repareerde de katoenen ‘dobbers’ waarmee gevist werd en verzorgde op het erf naast hun huisje de varkens, die als voedsel het visafval kregen. Daarnaast zorgde ze voor het kinderrijke huishouden en bakerde tot haar 78ste jaar in Kortenhoef. Het is haast niet voor te stellen dat dit kleine huisje met maar één venster zoveel personen en drukte heeft kunnen herbergen.

Het huisje is vaak uitgebeeld door schilders die vanaf de Kortenhoefsedijk de Graafjesbrug en het Moleneind schilderden. Omdat het kanaal nog niet gegraven was, had je een fraai zicht op de lange dijk die toen nog niet onderbroken werd. Toch heeft het huisje niet altijd vlakbij de brug gestaan. Toen botenbouwer De Vries uit Vinkeveen een stuk grond kocht aan de Bruggevaart en er een succesvol bedrijf begon, wilde hij graag uitbreiden en kocht de grond waarop Coba’s huisje stond. Om haar niet dakloos te maken, kocht hij verderop een lapje grond en de buren zorgden ervoor dat het huisje in zijn geheel, op rolletjes, op de nieuwe plek kwam te staan.

En daar heeft Harrie Kuyten het geschilderd vanaf de overzijde waar op het erf van Geurt Pos zijn houten atelier stond. Dat atelier was net als het huisje van Coba Tuin óók verplaatst. Het stond eerst, omstreeks 1900, bij de Kattenbrug en was het eigendom geweest van de schilderes E. Mulier, gravin Van Limburg Stirum. Het werd in zijn geheel op een platte boot gezet en naar de nieuwe plek aan het Moleneind gevaren. Kuyten kwam er vaak met zijn schildervriend Arnout Colnot. Colnot schilderde hier in Kortenhoef net als Kuyten in zware kleuren en met brede penseelstreken. Die donkere, stevige schildertrant, met slechts enkele lichte contrasten erin, was het kenmerk van de Bergense School waartoe zij behoorden. Harrie Kuyten was in zijn tijd al een gevierd schilder. Hij behaalde veel prijzen en was al jong in het buitenland te vinden. Op latere leeftijd, toen hij in de kop van Noord-Holland, in Groet, woonde, ging hij lichter schilderen. Zijn strandgezichten zijn vanwege hun lichte vrolijkheid daarom het meest gezocht.

Gezicht op de Kortenhoefsedijk van J.H. Wijsmuller (1855-1925)

Dit schilderij met een gezicht op de Kortenhoefsedijk is een vroeg topwerkje van de schilder Jan Hillebrand Wijsmuller (1855-1925). Het is een zomerse dag. De kerktoren priemt boven de bomen uit. Het kerkje en de wolkenlucht weerspiegelen in het heldere water. Langs de nog niet verharde dijk liggen de ‘huisjes Boomkens’, oude pandjes die enkele decennia terug prachtig gerestaureerd zijn door de Stichting Curtevenne. Een vrouw met wit kapje op, lopend op de dijk, geeft de menselijke maat aan. Wijsmuller wilde niets anders dan de serene rust en gemoedelijkheid van het dorpje schilderen. De stemming van een zonnige dag.

Wijsmuller was een schilder uit Amsterdam, die aan de Rijksacademie zijn schildersopleiding had gevolgd. Hij had kennelijk zoveel talent dat hij een Koninklijke Subsidie kreeg, die hem in staat stelde nog eens anderhalf jaar de Academie in ‘s-Gravenhage te volgen. Den Haag was toen nog het mekka van de landschapschilderkunst. De schilders van de Haagse School (zoals Gabriël, Roelofs, de gebroeders Maris en Mesdag) woonden en werkten er in de omgeving. Wijsmuller ontmoette ze bij Pulchri Studio, de – nog steeds bestaande – kunstenaarssociëteit aan het Lange Voorhout. In 1882 ging Wijsmuller zelfs nog een jaar aan de academie in Brussel studeren. Willem Roelofs en Paul Gabriël moeten hem dat vast hebben aangeraden, want zelf woonden ze er jarenlang en hadden er hun eigen atelier. Het zal daarom zeker Gabriël zijn geweest die hem attent heeft gemaakt op het dorp Kortenhoef. Want in voor- en najaar trokken zowel Roelofs als Gabriël erop uit om onbedorven plekjes in Nederland te schilderen. Ging Roelofs vaak naar Noorden en Nieuwkoop, Gabriël was verliefd geraakt op Kortenhoef. Hij logeerde aanvankelijk in het Tolhuis aan de Zuwe, later in het Rechthuis dat bestierd werd door herbergier Beijer. Ook Wijsmuller zal in het Rechthuis verbleven hebben, waar het omstreeks 1890 een komen en gaan van schilders was.

Wijsmuller nam veel van Gabriël over. De andere schilders van de Haagse School schilderden in grijs-groene kleuren. Hierdoor werd de Haagse School soms spottend de Grijze School genoemd. Gabriël daarentegen hield wel van een zonnetje en van heldere kleuren. Dit schilderij van Wijsmuller heeft qua compositie en kleurkeuze wel wat weg van Gabriëls molen ‘In de maand July’, het grote schilderij dat nu tot de topstukken van het Rijksmuseum behoort. Stond bij Gabriël de molen centraal, hier is het kerkje het focuspunt. Ook Wijsmuller koos zijn standpunt vanaf het water, met links en rechts de diagonale lijnen van de dijk en de bebouwde oever. En niet te vergeten: de fraaie spiegelingen in het water. Met dit juweeltje wilde Wijsmuller op klein formaat bewijzen dat hij in de beste traditie van de Haagse School landschappen kon schilderen. Op zijn beurt gaf hij weer adviezen aan de jongere generatie schilders, zoals Bernard van Beek.

Een Kortenhoefs polderlandschap van A.W. van Voorden (1881-1921)

Op één van zijn schildertochten werd August van Voorden (1881-1921) in Kortenhoef verliefd op een meisje. Hij trouwde en woonde er korte tijd, om daarna weer terug te keren naar het enerverende leven van de havenstad Rotterdam.

August van Voorden was een schilder van formaat. Buitengewoon begaafd én veelzijdig. Dat begint al met enkele formidabele naaktstudies van de academie en een reeks zelfportretten die soms lijken op de pose die Breitner aannam in een van zijn jeugdige zelfportretten. Dan is er een prachtig naakt, waarbij een jonge vrouw met afgestroopte jurk met tedere blik bekeken en in verf gesnapt is. Zonnige tuintaferelen van zijn beide kinderen Hetty en Barend, even snel met dikke likken verf neergezet tijdens hun spel, doen denken aan de kinderen die Isaac Israels in het Amsterdamse Oosterpark schilderde. Méér Isaac Israels-achtig werk: een schitterende aquarel van het hoofd van een jonge vrouw ‘en profil’ op een geel kussen. Maar ook: breed opgezette polderlandschappen waarin met trefzekere streken het licht gevangen is. En enorm grote stillevens, waarvan die met vis bepaald confronterend zijn. De kolossale vissen zijn zo geschilderd alsof ze zo uit de emmer neergesmeten zijn op de toonbank en nog nadruipen van het zilte water. Terecht dat Van Voorden met zo’n visstilleven in 1908 in de prijzen viel en het werk afgebeeld werd in talloze tijdschriften.
Maar het grootste deel van de expositie wordt ingenomen door zijn grote liefde voor haven- en kadegezichten, met de drukte van hijskranen, stoomboten, graanzuigers, kolenexporteurs, afgeleefde werkpaarden en kletsende dienstmeiden. Bijna allemaal op groot formaat. En dan moet je van goeden schilderhuize komen om – ondanks alle drukte – de compositie van je werk harmonisch te laten zijn, wél levendig maar overzichtelijk. En dat kon August van Voorden. Kijkend naar de schilderijen word je als het ware opgenomen in het Rotterdamse stadsleven van circa 1910-1920. Je ziet de dienstbodes in hun blauwe jurken met witte schorten over de kletsnatte kade snellen, terwijl ze nog even een blik werpen op de volgeplakte reclamezuilen. Je hoort de sleperspaarden briesen als ze hun zware vracht moeten voorttrekken, tegen de brug op. Of je ruikt ze bijna als je ze met gebogen hoofden hun haverzak ziet leegeten aan de Boompjes. En, kijkend naar het imposante havengezicht, hoor je het ratelend geluid van de enorme kolentransporteur Westfalen als die – net als een soort baggermolen – de tonnen steenkool overlaadt van de grote oceaanstomer in de ernaast gelegen dekschuit. Van Voorden schreef op de voorstudie erbij: 1050 ton per uur, zó onder de indruk was hij er zelf van. Als je dit werk ziet dan begrijp je waarom hij, na vier jaar leven in het stille dorpje Kortenhoef, in 1914 zo blij was om weer terug te kunnen keren naar zijn geboortestad. Helaas maar kort, want in 1921 stierf hij plotseling. Behalve landschaps-, stilleven-, portret- en figuurschilder was van Voorden bovenal schilder van het dagelijks leven in de grote stad. Geheel verdiend kreeg hij van critici de eervolle bijnaam van ‘De Rotterdamse Breitner’.

Korenmolen De Lelie van P.J.C. Gabriël (1828-1903)

Het is een gezicht op de afgebrande korenmolen De Lelie, die in de 19de eeuw aan het Moleneind stond, schuin tegenover de Alambertszkade. Vandaar de straatnaamgeving Moleneind. Tot op heden was alleen een afbeelding van de molen bekend via een reproductie van een schilderij van H.G. ten Hoet. Klaas Spaan schreef er in zijn boek ‘Zo zag ik mijn dorp’ over. Prenten of schilderijen van de afgebrande molen waren tot op dit moment nog nooit getraceerd. Men mag dus gerust spreken van een uniek (kunst)historisch document.

Het was P.J.C. Gabriël (1828-1903), één van de topschilders van de Haagse School, die omstreeks 1880 de korenmolen én de molenaarswoning ernaast schilderde op een stukje schilderslinnen, met vier punaises vastgepind in het deksel van zijn schilderkist. Met fijne, maar losse toets wist hij de molen die in het zonlicht baadt, te vangen. Links de sloot langs het Moleneind die uitkwam bij de molen, op de achtergrond nog een streep helder water van de ‘stille plas’. Gabriël kwam vanaf 1875 in Kortenhoef om er het polderlandschap, de wolkenluchten en de molens te schilderen. Zijn topwerk ‘In de Maand July’, een schilderij van één van de drie watermolens die in de omgeving van de huidige Vreelandseweg stonden, werd in 1885 direct aangekocht door het Rijksmuseum.

De schilders die in het voetspoor van Gabriël naar Kortenhoef kwamen, konden de korenmolen al niet meer schilderen. Door brand was hij omstreeks 1890 verloren gegaan.

Het schilderij werd in het vorige decennium door Carole Denninger, kunsthistoricus en oud bestuurslid van de stichting, herkend in de catalogus 19de eeuwse kunst van Sotheby’s. Daar stond het werk alleen vermeld als ‘Molen in een polderlandschap’. Snelle actie was geboden want de reserves van de stichting waren niet toereikend om dit kostbare, unieke werk op de veiling te kunnen kopen. Dankzij een bliksemactie van oud burgemeester Don Bijl van de gemeente Wijdemeren zegde het Prins Bernhard Cultuurfonds een forse subsidie toe. En zo kwam het werk, nog in originele staat met de etiketten van Kunsthandel Sala achterop, in het bezit van de stichting.

Een voorzichtige reiniging door restaurator Rob Jacobs liet het schilderij in oude glorie herleven. Het zonlicht straalt ervan af, want Gabriël hield –in tegenstelling tot andere schilders van de Haagse School- wel van een zonnetje.

Villa Nova van Hendrika Schaap-van der Pek (1867-1926)

In de B&W-vergaderkamer in het gemeentehuis hangt een enorm groot schilderij uit de collectie van de Stichting Kunstbezit ‘s-Graveland. Het is de tuin van Villa Nova aan de Cannenburgerweg in ’s-Graveland, omstreeks 1910 geschilderd door Hendrika Schaap-van der Pek (1867-1926). Met dit zonnige tuintafereel, achter haar huis geschilderd, bewees de schilderes dat zij minstens zoveel capaciteiten had als haar echtgenoot, de schilder E.R.D. (Egbert) Schaap.

De schilderende partners hadden elkaar leren kennen aan de Amsterdamse Rijksacademie. Allebei waren ze afkomstig uit gegoede families die aan de Vecht woonden. Na hun huwelijk in 1896 vestigden ze zich in Villa Nova, het statige huis dat toen nog op het grondgebied van Ankeveen stond. Ze ontvingen er veel bekende artistieke gasten, zoals Isaac Israels en Geesje Mesdag-van Calcar, de leerlinge van Paul Gabriël die haar houten atelier op palen liet bouwen. Later kwam hier jeugdherberg De Karekiet. Bovendien organiseerden zij tentoonstellingen in hun grote huis.
Egbert Schaap, nu een wat vergeten schilder, was een belangrijk man in de Amsterdamse kunstwereld. Hij publiceerde in 1908 een boekwerkje Romantiek, waarin hij stelde dat kunstwerken begrepen moesten worden als ‘hoogste uiting van den menschelijken geest…’ en wat men in de kunst moest vinden was ‘het stoffelijk geïncarneerde heilige…’. In 1913 werd hij tot voorzitter gekozen van de Amsterdamse schildersvereniging Sint Lucas. De Amsterdamse schilder Kees Maks heeft hem altijd als zijn leermeester beschouwd. Maks, die bekend zou worden vanwege zijn circustaferelen, schilderde in 1896 een Gezicht op Kortenhoef, vermoedelijk toen hij op bezoek was bij het pas getrouwde stel. Hendrika Schaap vervulde eveneens belangrijke functies. Samen met Geesje Mesdag zat zij in 1913 in het bestuur (en in de jury) van de Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913.

In dit zonnige tuingezicht spreekt Hendrika’s voorkeur voor het werk van de Franse impressionisten, vooral voor Monet. Die schilderde omstreeks 1860 ook een heel groot, zonnig tuingezicht met daarin een vrouw in een genopte witte jurk. Het behoort tot een van de eerste schilderijen die plein air, dus ter plekke (buiten) geschilderd zijn. Daarmee wilden de schilders bereiken dat ze het licht van het moment, het heldere zonlicht, zo realistisch mogelijk op het schilderslinnen kregen. Zó dat het lijkt of jij jezelf als toeschouwer op dat moment ook in de tuin waant. Hendrika Schaap had die zonnige impressionistische werken gezien toen ze na haar studie een reis naar Parijs maakte.
Haar echtgenoot beperkte zich na 1913 tot landschappen met bloesemende appel- en perenbomen. Na de dood van Hendrika verdwenen de heldere bloesembomen en kwamen er donkerder plas- en bosgezichten van zijn palet. In 1937 boden de inwoners van ’s-Graveland aan Prinses Juliana en Prins Bernhard een schilderij van Sperwershof aan als huwelijksgeschenk. Ook van E.R.D. Schaap zijn werken opgenomen in de collectie van de Stichting Kunstbezit ‘s-Graveland. Maar niet zo’n fraai, groot werk als De Tuin van Villa Nova van zijn vrouw Hendrika!